Oorlogsverhaal Gert Poels-Claessens

Het is in 2019 precies 75 jaar geleden dat de gemeente Venray bevrijd werd. Veel inwoners uit de gemeente hebben de oorlog en bevrijding meegemaakt. Zij vertellen in deze serie hun verhaal. Gert Poels-Claessens (92) maakte als tiener de oorlog mee in de Grotestraat in Venray, waar ze nu nog altijd woont. Ondanks haar hoge leeftijd, kan ze zich de meeste verhalen uit de oorlog nog goed herinneren. “Die blijven me altijd bij.”

Familie Poels woonde in de Grotestraat in het pand waar nu Miller & Monroe Venray zich vestigt. Het pand had twee kelders waar het gezin samen met evacués uit Tegelen tijdens de bombardementen op 12 oktober 1944 zich schuilhield. Het gezin Poels bestond uit vader, moeder, zeven jongens en twee meisjes. “Ik kan me nog goed herinneren dat twee broertjes boven op de veranda aan het spelen waren toen de bombardementen begonnen. Ze deden de mis na en hadden een altaar gebouwd. Tijdens de bombardementen dook ik met een aantal familieleden de kelder in, maar mijn broertjes waren daar niet bij. De muur van de veranda barstte en stortte in. Toen we na een tijdje naar de tweede kelder gingen, zagen we daar gelukkig de twee broertjes, ze waren op tijd de kelder ingedoken.”

Volgens Gert waren het angstige momenten toen de gevechten boven Venray plaatsvonden. “’s Nachts zagen we de lichten van de vliegtuigen boven Venray. Toch kon ik in die tijd wel goed slapen.” Na een tijd kwamen de buren, familie Van den Munckhof, ook in de kelder bij familie Poels. “We zaten met minstens twintig personen in de kelders. Ook in het ouderlijk huis van mijn ouders aan de Patersstraat ‘De Keijser’ bevonden zich twee kelders waar een tante met haar kinderen zat onderdoken.” Gert vertelt dat die tante, twee nichtjes en een neefje de oorlog niet hebben overleefd. Het huis werd gebombardeerd en de kelder waarin de tante en haar kinderen zat, stortte in. Zij zijn allemaal gestikt en met zand in hun monden gevonden.

De gezinnen in de kelders hadden in de oorlogstijd genoeg te eten, vertelt Gert. Tegenover het huis lag slagerij Henricus Poels, van haar oom en tante. “We hadden thuis een fietsenwinkel en mijn ouders verruilden bijvoorbeeld een fietsenband tegen vlees. Ook liep er eens een koe door de Grotestraat. Die hebben we toen geslacht. In de kelder hadden we een inmaakketel. Ik heb nog nooit zo’n lekkere soep gehad.”

Voordat de oorlog in Venray zichtbaar werd, zat Gert intern op de kostschool in Grubbenvorst. In 1943 brak daar een ziekte uit, waardoor niemand meer de school mocht betreden. Daardoor kwam Gert thuis te zitten. “Ik hielp mijn moeder in het huishouden. Elke dag begonnen we om 06.00 uur met huishoudelijk werk. Vooral de was, was een hele klus. We waren hiermee dagen aan het werk, want we hadden een groot gezin.”

Haar oudere broer Bér moest zich in de oorlog melden bij de Duitsers om te gaan werken. Na een week vluchtte hij, omdat hij bang was. “Voordat hij vertrok heeft mijn moeder allerlei spullen verruild voor warme kleding die Bér mee naar Duitsland kon nemen. Toen Bér weer na een week thuis kwam, verkleedde hij zich als meisje”, lacht Gert. “Hij mocht niet herkenbaar over straat, omdat ze hem dan misschien weer meenamen”. Ook Gert’s oudste broer Jeu werd met zeven jongens uit Venray naar Duitsland gestuurd. Ook hij liep na vijf maanden weg.

Dankzij broer Jeu leerde Gert haar man Theo Claessens in de oorlog kennen. Theo voetbalde samen met Jeu. “Mijn man en zijn vader Johan hadden een winkel in de Hofstraat. Ik kan me nog herinneren dat hij samen met Jacques van Opbergen bloemen ging brengen naar een Engelse piloot die opgesloten zat in het politiebureau van Venray. De Duitsers gingen toen naar de bloemenzaak om te vragen wie de bloemen had gekocht. De eigenaar van de zaak heeft de namen gegeven. Mijn man heeft een tijd ondergedoken gezeten en een paar maanden gewerkt op een boerderij in Duitsland.” In Venray stortten in de oorlog verschillende parachutisten neer. Dat Gert op een dag een parachute vond op straat, kan ze zich nog goed herinneren. “Van de parachute heeft mijn moeder voor mijn zus en ik een zijde jurk gemaakt. Daar waren we heel trots op.”


Toen Venray te onveilig werd, evacueerde het gezin met de buren naar het Brabantse Lieshout. Maar eerst werden de gezinnen ontluist en ontwormd in Deurne. Uiteindelijk kregen ze vijf maanden onderdak bij een vrijgezelle kleermaker. “Toen we in Venray woonden, doken we bij elk geluid de kelder in, maar in Lieshout kenden ze dat niet. Daar hebben ze weinig gemerkt van de oorlog. In die tijd ben ik niet bang geweest, het was leuk in Lieshout. We vierden daar ook sinterklaas.” Toen ze terugkeerden naar Venray waren alle pannen van het dak af. In Venray was bijna alles kapot gebombardeerd. “We hebben de dakpannen opgeruimd. Veel spullen waren nat en vies of weg. De hele straat lag in puin.”


In 1952 trouwde Gert met Theo. Doordat het huis in de Hofstraat in de oorlog werd gebombardeerd, kwam de familie Claessens in 1948 in de Grotestraat wonen. Zij openden daar een winkel in lederwaren en luxe artikelen. Door de woningnood trok het jonge echtpaar pas later in op de verbouwde zolderverdieping. Gert woont er nog steeds. In 2005 overleed Gerts man. Samen kregen ze vijf kinderen: vier meisjes en één jongen. Inmiddels heeft Gert ook acht kleinkinderen, twee achterkleinkinderen en binnenkort wordt het derde achterkleinkind verwacht.

Tekst: Jeanine Hendriks